Leading en lagging indicatoren worden vaak gebruikt bij KPI’s. Dit artikel legt het verschil uit vanuit hoe processen daadwerkelijk lopen.
Indicatoren zijn meetpunten die iets zeggen over prestaties. Ze helpen om gesprekken te voeren over wat er gebeurt en om patronen te herkennen in resultaten. In veel organisaties worden indicatoren vooral gebruikt om uitkomsten te volgen.
Het onderscheid zit niet in het meten zelf, maar in wat er wordt gemeten en wanneer. Dat is het verschil tussen leading en lagging indicatoren.
Lagging indicatoren meten wat al is gebeurd. Ze laten het resultaat zien aan het einde van een periode of proces. Voorbeelden zijn gerealiseerde doorlooptijd, foutpercentages of behaalde doelstellingen.
Deze indicatoren zijn achteraf. Ze tonen de uitkomst, maar niet hoe die tot stand is gekomen. Wanneer een lagging indicator afwijkt, wordt zichtbaar dát er iets is veranderd, maar niet waar of waarom dat is gebeurd.
Lagging indicatoren zijn overzichtelijk en eenvoudig te rapporteren. Ze laten zich goed vergelijken en passen in dashboards en rapportages. Daardoor voelen ze betrouwbaar en concreet.
Tegelijk geven ze weinig inzicht in het verloop van het proces. Een goede score kan een instabiel proces verhullen, terwijl een slechte score weinig houvast biedt om te begrijpen wat er precies speelt.
Leading indicatoren geven informatie over wat er in het proces gebeurt terwijl het werk loopt. Ze richten zich op signalen die iets zeggen over wat waarschijnlijk gaat gebeuren.
Voorbeelden zijn wachttijd tussen processtappen, de hoeveelheid werk in uitvoering en het aantal overdrachten. Deze indicatoren meten geen eindresultaat, maar het gedrag van het proces.
Leading indicatoren krijgen pas betekenis wanneer duidelijk is hoe het proces verloopt. Een hoge wachttijd of veel werk tegelijk zegt op zichzelf weinig.
Het wordt pas relevant wanneer zichtbaar is waar activiteiten blijven liggen, hoe stappen op elkaar aansluiten en waar flow ontbreekt.
Lagging indicatoren beantwoorden de vraag wat er is gebeurd. Leading indicatoren helpen om te begrijpen waardoor het gebeurt.
Door indicatoren te bekijken vanuit het verloop van het proces verschuift de aandacht van resultaat naar oorzaak. Niet het cijfer staat centraal, maar wat er onderweg gebeurt. Dat sluit aan bij procesanalyse.
Lagging indicatoren sluiten goed aan op verantwoording en rapportage. Ze zijn eenvoudig samen te vatten en passen bij sturen op resultaten.
Leading indicatoren vragen meer uitleg en meer inzicht in hoe het proces is ingericht. Zonder dat inzicht blijven prestaties moeilijk voorspelbaar en wordt sturen vooral reactief.
Sturen op prestaties met alleen lagging indicatoren betekent dat het proces pas wordt besproken wanneer het resultaat al vastligt.
Wanneer leading en lagging indicatoren samen worden gebruikt, ontstaat een ander gesprek. Niet over cijfers, maar over wat er in het proces gebeurt en wat dat betekent voor toekomstige prestaties en performance management binnen Lean. Dit sluit direct aan bij processen verbeteren met Lean, waarin indicatoren worden gebruikt om procesgedrag te begrijpen in plaats van alleen resultaten te volgen.
Lagging indicatoren laten zien wat er is gebeurd. Leading indicatoren maken zichtbaar wat er onderweg gebeurt in het proces. Samen geven ze inzicht in prestaties, mits ze worden bekeken vanuit hoe het proces verloopt.
Lean gebruikt dit onderscheid om prestaties beter te begrijpen. Niet om meer te meten, maar om te zien waar resultaten daadwerkelijk ontstaan.