“Are we in control?” Deze vraag staat centraal in processen beschrijven en beheersen, en Statistical Process Control (SPC) is een methode die wordt gebruikt om via statistische methoden toezicht te houden op en controle te houden over een proces. Door SPC toe te passen, kunnen we consistentie waarborgen en ingrijpen als het dreigt mis te gaan.
Statistical Process Control (SPC), bedacht door Walter A. Shewhart, is een methode om de output van processen te monitoren en te controleren. Het doel is om variatie binnen acceptabele grenzen te houden, wat leidt tot hogere kwaliteit en betrouwbaarheid. In Lean Six Sigma gebruiken we SPC in de control-fase van het DMAIC-traject om het proces te controleren.
SPC wordt vaak gebruikt in Lean en Lean Six Sigma, omdat het helpt bij het beheersen van processen en het minimaliseren van variatie. Binnen de Lean Six Sigma-methode is het doel om processen in control te houden en te verbeteren, met als streven zo min mogelijk fouten. Dit leidt tot consistentere resultaten en hogere klanttevredenheid. Door statistische controlemethoden te integreren in de control-fase van DMAIC, kan je als Black Belt continu verbeteren en hoge kwaliteit handhaven.
In Lean Six Sigma wordt SPC toegepast in de control-fase van verbeterprojecten. Door het gebruik van SPC kunnen teams:
Door SPC te integreren in Lean Six Sigma kun je niet alleen verbeteringen doorvoeren, maar deze ook voortdurend monitoren en controleren.
Shewhart concludeerde dat elk proces onderhevig is aan twee soorten variatie:
Een van de belangrijkste tools binnen SPC zijn de Control Charts, of regelkaarten. Deze grafieken helpen bij het detecteren van:
Het primaire doel van een Control Chart is om vast te stellen of een proces stabiel en statistisch onder controle is.
Bij een Control Chart krijg je een bovenste en een onderste controlegrens, respectievelijk de Upper Control Limit (UCL) en de Lower Control Limit (LCL). Deze limieten zijn gedefinieerd als drie standaarddeviaties boven en onder de centrale lijn (het gemiddelde).
Volgens de empirische regel bevindt minimaal 99,73% van alle meetgegevens zich binnen drie standaarddeviaties van het gemiddelde. Dit betekent dat bijna alle procesdata binnen deze limieten zouden moeten vallen als het proces stabiel is.
Je proces is “in control” als alle data binnen de control limits vallen, die gedefinieerd zijn als drie standaarddeviaties boven en onder de centrale lijn. Dit betekent dat minimaal 99,73% van je data binnen deze grenzen zit. Als alle datapunten binnen deze control limits vallen, zonder duidelijke patronen of trends, wordt het proces als stabiel en onder controle beschouwd.

Een proces wordt beschouwd als ‘niet in control’ wanneer er datapunten buiten de vastgestelde controlelimieten (UCL en LCL) vallen. Dit duidt op de aanwezigheid van speciale oorzaken van variatie, die niet worden verwacht als onderdeel van het normale procesverloop.

Als er sprake is van outliers in het proces, zoek je de oorzaak op. Dit doe je door te onderzoeken wat er anders is gegaan tijdens de periodes waarin de afwijkende waarden zijn gemeten. Het is belangrijk om te zoeken naar oorzaken in plaats van meteen oplossingen. Een rootcause analyse helpt hierbij. Mogelijke stappen zijn:
Het is belangrijk om de verschillen tussen Specification Limits en Control Limits te begrijpen:
USL en LSL worden bepaald door klantverwachtingen en specificaties. UCL en LCL worden berekend op basis van de procesprestaties. Of een stabiel proces ook daadwerkelijk binnen de klantspecificaties presteert, breng je in beeld met een process capability analyse.
Control charts zijn tools voor het monitoren van processen. Hieronder vind je een globaal overzicht van enkele veelgebruikte control charts.
De I Chart wordt gebruikt voor het verzamelen van individuele meetpunten. Deze chart is ideaal voor continue data en individuele meetpunten met een normale verdeling.
De I-MR Chart is een combinatie van twee grafieken: de Individuals (I) Chart en de Moving Range (MR) Chart. Deze chart is geschikt voor het analyseren van individuele meetpunten en de variabiliteit tussen opeenvolgende datapunten.
De EWMA-chart monitort kleine veranderingen in processen. Het maakt gebruik van gewogen gemiddelde punten, waardoor trends beter zichtbaar worden.
Deze charts monitoren subgroepen met continue data. De X̄ en R Chart is geschikt voor kleine subgroepen (minder dan 6 datapunten), terwijl de X̄ en S Chart wordt gebruikt voor grotere subgroepen (meer dan 6 datapunten).
P Charts en NP Charts analyseren attribute data, zoals goed/fout of geslaagd/gefaald. Ze zijn geschikt voor situaties waarin elke waarneming in één van twee categorieën valt.
C Charts en U Charts analyseren count data, zoals het aantal defecten in producten. De keuze tussen deze charts hangt af van de subgroepgrootte en de variabiliteit ervan.
Met deze richtlijnen kun je de juiste control chart kiezen op basis van je data en analysebehoeften, wat helpt om processen beter te monitoren en te verbeteren.
Statistical Process Control (SPC) is een methode binnen Lean en Lean Six Sigma om processen te monitoren en te verbeteren. Het wordt toegepast in de control-fase van een verbetertraject. Als je proces out of control dreigt te raken, kun je met PDCA of DMAIC ingrijpen en je proces weer onder controle houden.
Door gebruik te maken van control charts krijg je inzicht in de stabiliteit van je processen en kun je afwijkingen snel identificeren. Het uiteindelijke doel is het optimaliseren van processen, wat leidt tot consistentere kwaliteit en hogere klanttevredenheid.
Wil je meer leren over Lean Six Sigma en Statistical Process Control? Meld je aan voor de online Lean Six Sigma Black Belt-training van Lean.nl.